Claude Loxhay (01/04/2021)
Le quintet Bloom est en partie une émanation de L'Oeil Kollectif, groupe de musiciens en résidence à l'An Vert. C'est le cas du saxophoniste Bruno Grollet qui fait partie du Double Quartet de L'Oeil Kollectif, est membre d'un quartet avec Quentin Stockart et d'un quintet avec Louis Frères (qui, depuis peu, fait partie du septet Rêve d'Éléphant Orchestra). C'est aussi le cas de Clément Dechambre (as, bcl), membre aussi du Double Quartet de L'Oeil Kollectif et de l'Orchestre du Lion, avec Michel Massot et Michel Debrulle. A la contrebasse, Manolo Cabras, fondateur de Basic Borg avec Lynn Cassiers et d'un quartet avec Jean-Paul Estiévenart, mais aussi membre du quartet de Ben Sluijs, d'Heptatomic d'Eve Beuvens, du trio de Manu Hermia, du trio d'Erik Vermeulen et sideman de l'Américain Charlie Gayle. A la batterie, Alain Deval, membre de L'Oeil Kollectif, de Collapse, du Random House de Thomas Champagne. Enfin, à la guitare, Quentin Stockart, membre d'un trio avec le contrebassiste Nicola Lancerotti, d'un duo avec le guitariste Benjamin Sauzereau et fondateur d'un quartet avec Bruno Grollet, Tom Malmendier et Audrey Lauro au saxophone. Pour cet album, six compositions de Stockart qui alternent avec de courtes séquences d'improvisation collective. De belles séquences à deux saxophones (alto-ténor) dont certaines trames mélodiques rappellent la rencontre entre Ornette Coleman et Dewey Redman, notamment pour l'album « Paris Concert » (« De Nouveau », « Quantum »), ou parfois avec une sonorité écorchée (« Tuft ») mais, à certains moments, plus apaisée (« Kimchi »). Parfois, le ténor dialogue avec la clarinette basse (« Response »). La guitare peut aussi se faire plus violente (« Quasi Electric Response ») et certaines séquences d'improvisation collective se font bruitistes (« Hum »). Une photographie d'un jazz en pleine évolution.

Herman te Loo, Jazzflits Nederland nummer 354 p.8 (22/03/2021)
Op het titelloze debuutalbum van het Belgische kwintet Bloom staan de composities (van de hand van gitarist Quentin Stokaert) en de vrije improvisaties keurig om en om. Dat is misschien een flauwe constatering, maar er is echt een hoorbaar verschil tussen de tracks waar gecomponeerd materiaal het uitgangspunt was en daar waar dat niet het geval was. De jonge Stokaert (bouwjaar 1988) schrijft weliswaar geen doorwrochte composities, maar levert wel aardige thema's en soms ook tempo- en maatwisselingen en andere vormen die de stukken interessant maken. Neem nu de opeenvolging van 'Kimchi' en 'Quasi electric response' bij wijze van contrast. In het eerste stuk pakt Manolo Cabras het vriendelijke, elegante thema op om er een lenige, melodieuze bassolo mee op te bouwen. In het tweede stuk horen we sobere, pointillistische impro waarin eigenlijk niet zoveel gebeurt en die richting ontbeert. Nu is het niet zo dat alle improvi- saties op het album aan dit euvel lijden, maar het verschil is wel opvallend. Als beide samengaan, is het resultaat extra boeiend. 'Chi' lijkt in het begin een open improvisatie, maar dan ontwaken gitaar en contrabas om samen op te trekken richting een liedje. Een mooie vorm, die zonder al te veel dwang tot een boeiend improvisatieresultaat leidt.

Dani Heyvaert, Rootstime (04/03/2021)
Voor een niet-kenner als ondergetekende, is dit een nieuwe naam. Mensen die het wereldje wel kennen, weten dat dit vijftal enkele jaren geleden al een mini’tje uitbrachten met dezelfde titel en dezelfde hoes, maar niemand zal het me kwalijk nemen, als ik deze full-CD als “debuut” bestempel. Enfin, dat hoop ik toch…

Bloom is de groepsnaam waarachter zich vijf mensen uit de impro-scene schuilhouden. Eentje van hen, gitarist Quetin Stokart, kan je kennen van bij Edi Olvitt of als kompaan van Tom Malmendier en Frans Van Isacker. Hij is op deze plaat verantwoordelijk voor de even nummer, terwijl de oneven nummers het resultaat zijn van collectieve improvisaties van alle bandleden samen. Op tenorsax is er Bruno Grollet, in wiens Quartet Stokart ook gitaar speelt. Altsax en basklarinet zijn in handen van Clément Dechambre en aan de bas bepaalt Manolo Cabras het verloop der gebeurtenissen. Zijn naam kennen we dan weer van bij zijn eigen Quartet en van opnames met Lynn Cassiers, Eve Beuvens en Erik Vermeulen, terwijl we drummer Alain Deval wel eens aan het werk zagen met Toine Thijs en destijds met Collapse. Best wel wat ervaring bijeen dus en dat uitte zich die 17de en 18de april van 2019, toe de vijf in Werkhuis Walter aan de slag gingen, eerst met de zes composities van Stokart en gaandeweg, om niet te zeggen tussendoor, sloeg de collectieve impro-bacil toe en daaruit resulteerden nog eens vijf -eerder korte- stukken, zodat de hele oogst precies de twee kanten van een elpee vult.

Ik vermeldde het al; de nummers van Stokart worden netjes met de collectieve improvisaties afgewisseld en dat doet de plaat veel goed. Je mag immers niet onderschatten welke inspanning muziek als deze vergt van de luisteraar. Opener “De Nouveau” lijkt een beetje op de openingstoespraakjes, die je wel eens hoort bij een vormingssessie: iedereen stelt zich voor, het afsprakenkader wordt overlopen en zodra alles voor iedereen duidelijk is, worden de echte werkzaamheden aangevat. Op het collectieve vlak is dat “Monotone” een flikkerende, hyperkinetische track die zijn titel niet helemaal gestolen heeft. Dat is trouwens iets wat ik me al langer afvraag: hoe verzint een artiest een titel voor iets dat hij net gecomponeerd heeft? Bij “Kimchi” kan ik mij iets Koreaans voorstellen, maar “tuft”, “Kale”, “Hum” en “Chi”…? Ik ken dan weer wel net voldoende Luikse dialectwoorden om te weten dat “Tchinisse” zoveel betekent als “klein dinhetje”, iet wat zeker gepast is voor een nummertje van nauwelijks 76 seconden.

Soit, dat neemt allemaal niet weg dat de vijf heren enkele heel straffe dingen ineen wisten te draaien: dat lijken in het begin momentopnames of snapshots te zijn, maar als je een paar keer opnieuw luistert, merk je dat de dingen toch iets geraffineerder ineen zitten dan dat. De vijf zijn weliswaar ieder met zijn eigen ding bezig, maar ze verliezen nooit uit het oog dat het uiteindelijk om het groepsresultaat zal draaien en dat ze dus best als één team spelen. Dat doen ze en zo leveren ze een heel fijne, absoluut niet te moeilijke plaat af, die uitnodigt om de band live te gaan bekijken.

Larsen magazine (12/01/2021)
Collectif réuni autour du guitariste et compositeur Quentin Stokart, c’est apparemment le goût de l’improvisation qui a menés ces musiciens, issus de génération différentes, à s’aventurer dans ce chemin commun. Un premier album a ainsi vu le jour quelques années après leurs premiers pas scéniques. Un style qui n’est pas sans rappeler le gaz rock progressif 70’s à la Hugh Hopper (Soft Machine, Centipede …), avec ces titres déstructurés et aux entremêlés de guitare. Bien, très bien!

Georges Tonla Briquet, JazzHalo (19/10/2020)
Gitarist Quentin Stokart kennen we van bij Edi Olvitt en het Luikse L'Oeil Kollectif. Onder de naam BLOOM schaarde hij indertijd een aantal improvisators van verschillende generaties rondom zich. 'Bloom' is hun volwaardig visitekaartje na de korte introductie in 2017.

De openingstrack dient om wat losse ideeën te suggereren en iedereen de kans te geven zich op te stellen, met drummer Alain Deval en bassist Manolo Cabras voorop. Stap voor stap schuifelen de twee saxofonisten (Bruno Grollet, Clement Dechambre) mee naar voor met gitarist Quentin Stokart in hun spoor. De kaarten zijn verdeeld en de regels gekend. Stokart tekende voor zes onderdelen de lijnen uit, voor de overige vijf is het een zuiver spel van (in de hand gewerkte) toevalligheden waarbij elke protagonist zijn inbreng heeft.

De (vaag) vastgelegde scenario's wisselen telkens af met een gezamenlijke improvisatie. Groot verschil is er niet en voor wie niet op voorhand de volgorde kent, zijn alle stukken onderling inwisselbaar. Langzaam uitgetekende mini tableaus volgen op cut-up passages. Er wordt geschuurd en geschaafd, gekronkeld en gezalfd. Uit schijnbaar ondoordringbare labyrinten duiken plots gestileerde patronen op. Zo doorprikken ze de bedrieglijke eenvoud maar zonder ooit helemaal te ontsporen.

Op een paar uiterst korte uitbarstingen na, is dit een schoolvoorbeeld van het laten samensmelten van partituur en improvisatie op huiskamerniveau. De wisselende verhoudingen gebeuren zonder extreme uitvallen die de onderlinge samenhorigheid verstoren. Voor liefhebbers van labels als Aspen, Intakt en Hubro. Ideale kandidaat voor een volgende editie van Jazz@Home.

Alhoewel dezelfde titel en eenzelfde hoes als 'Bloom' uit 2017 gaat het hier om een totaal nieuwe opname gemaakt op 17 en 18 april 2019 in Werkplaats Walter.

Jaques Prouvost, Jazzques (19/04/2020)
Bloom, ce sont Brunot Grollet (ts), Clément Dechambre (as,bc), Manolo Cabras (cb), Alain Deval (dm) et Quentin Stokart (eg). L'aventure a commencé (avec un autre bassiste) il y a six ou sept ans, lors d'un voyage à New-York. Là-bas, nos jeunes musiciens ont jammé ensemble et surtout improvisé. L'alchimie a agi, la greffe a pris, Bloom est né. Au fil des ans, le répertoire s'est étoffé autour des compositions de Quentin Stokart, mais aussi et surtout grâce à de nombreuses et fertiles improvisations collectives. Sur cet album, enregistré dans les conditions d'un live (mais sans public) au Werkplaats Walter, on dénombre d'ailleurs la moitié d'improvisations libres. Elles servent souvent de pont ou de tremplin entre les compositions mais contiennent toutes leur lot de surprises et de créativité. Le parcours que propose Bloom est sinueux, ouvert à la contemplation et la réflexion (« Response »), aux déambulations nocturnes et aux crépuscules boréals. Il y plane parfois l'esprit d'un Ornette (« De Nouveau »), de quelques musiques baroques, des réminiscences lointaines de menuet (« Kimchi ») ou de valse (« Quantum »), de mélopées tibétaines (« Chi ») ou d'éruptions inopinées à la Albert Ayler (« Tuft »). Il ressort en tout cas de cet album une véritable cohésion artistique due, à n'en pas douter, à une écoute mutuelle des plus scrupuleuses. Et cela en fait un objet plus qu'intéressant que l'on aime redécouvrir écoute après écoute.