Ben Taffijn, Draai om je oren (20/04/2016)
"Volgens de overlevering was de eerste rietblazer een Griekse herder, Marsyas. We rekenen dan de god Aulos gemakshalve even niet mee. Die Marsyas bespeelde een dubbelriet, maar goed, dat is wel de voorloper van de klarinet, de hobo en de saxofoon in alle soorten en maten waar wij heden ten dage nog van kunnen genieten. Er loopt dus een rechte lijn van Marsyas naar Evan Parker, die in de 'Marsyas Suite' een soort van eerbetoon brengt aan deze grondlegger, deels solo en deels samen met bassist Peter Jacquemyn. Jacquemyn kan dan goed staan voor de god Apollo; die bespeelde weliswaar een lier in plaats van een bas, maar vormde met Marsyas wellicht het meest beruchte duo uit de muziekgeschiedenis. Nu ja duo, het was eigenlijk een wedstrijd tussen die twee, die Marsyas uiteindelijk letterlijk de kop kostte. Nee, dan Parker en Jacquemyn. Het gaat er even heftig aan toe, maar naar ik weet leven beiden nog.

Zes delen bevat deze ongetwijfeld volledig ge´mproviseerde suite, uitgevoerd tijdens een liveoptreden in het Sint Janshospitaal in Brugge. In het eerste en langste deel zet vooral Jacquemyn de toon, woest en heftig strijkend, een vol en zangerig geluid producerend, waar Parkers spel naadloos op aansluit. In het tweede deel horen we Parker solo op sopraansax in zijn kenmerkende stijl, waarin hij eindeloze slierten noten blaast met behulp van circulair breathing-techniek, heen en weer schietend tussen hoog en laag. Hij kan zo op voor het slangenbezweerdersexamen.

In deel drie klinken vervaarlijke klanken. Het kraakt, knarst en piept aan alle kanten, hier kan een beetje kruipolie geen kwaad! Maar dit deel bevat ook een aantal delicate momenten. Jacquemyn zacht tokkelend en Parker soepel bewegend op tenorsax, waarmee hij aanvullende klanken voortbrengt. Aansluitend neemt Jacquemyn de solorol op zich. Al lijkt het geluid meer op een apparaat dat hoognodig aan vervanging toe is. Hoe dan ook, wat Jacquemyn hier aan zijn contrabas ontfutselt klinkt ongelofelijk. En dan gaat hij er ook nog eens bij zingen in de stijl van de Mongoolse boventoonzangers, waardoor hij bijna een verlengstuk van zijn bas wordt. Fascinerend.

De twee laatste delen zijn voor het duo. Klinkt het vijfde deel enigszins swingend en dynamisch (als je het enerverende samenspel zo kunt noemen), het laatste deel, duidelijk de toegift in dit concert, klinkt weerbarstig en weemoedig."

Martin Schray, The Free Jazz Collective (25/09/2015) ****
"Marsyas is a character in Greek mythology, sometimes he is referred to as a satyr, sometimes as a peasant. When the goddess Athena invented the double-reed flute, the first ever reed instrument, she was very pleased with her playing and the sound of the instrument. But then she saw the reflection of her face in water and observed the distortion of her features (namely her ballooned cheeks) and threw the instrument away. The one who found it was Marsyas, who soon became a virtuoso double-reed player (some sources also claim that the flute was once inspired by the breath of a goddess and therefore able to create the most beautiful melodies). Unfortunately, Marsyas became boastful and challenged Apollo, the Greek god and masterful lyre player, to a musical contest in order to find out who can play the more beautiful music. The victor should be allowed to do what he pleased with the underdog, the muses were asked to be the umpires. Both contestants played wonderfully and actually the match should have ended in a draw but then Apollo added his voice to the music of his lyre and finally won. As a result, he punished Marsyas for his hubris, nailed him to a tree and flayed him alive.

A contest was clearly not the idea Evan Parker (tenor and soprano saxophone) and Peter Jacquemyn (double-bass) had in mind for their album Marsyas Suites, it is rather the notion of what could have been the result of the mythic duel if Marysas and Apollo had played together. Four of the six pieces are duos, two are solos, one by Parker and one by Jacquemyn. Parker's solo is a six-minute-orgy in circular breathing. The whirlwinds of the upper registers are often counterpointed by single staccato notes in the lower ones, which stresses the meditative and peaceful character of the music.

Jacquemyn, who takes over the Apollo part here, uses fierce bowing and crass overtones (which is quite close to the music Parker created in his solo but it sounds more belligerent) before he stops in the middle of the track adding his voice to his playing (here he reminds of Peter Kowald's technique) and the music loses its aggressive character.

However, the two solo pieces do not compete with each other, they are interwoven in an artistic whole. In the fifth track conventional and unconventional bass playing, voice, circular breathing and classic saxophone playing are combined, they benefit from each other. Sometimes they dance around each other in the same registers, then again the dark notes of the bass are juxtaposed by high saxophone sounds, before the bass attacks the circular breathing violently.

Evan Parker seems to be on a winning streak these days (he has released more very good albums, e.g. with Joe Morris and Nate Wooley). This is a rock solid free jazz album, interested listeners won't be disappointed."

Mischa Andriessen, Jazzmozaiek p 43 (2015/3)
"Het liefst hadden we deze opname op DVD gehad. Enerzijds omdat het Brugse Sint Hospitaal waar dit concert plaatshad, een prachtige, sfeervolle locatie is. En ook omdat de destijds daar opgestelde sculpturen van bassist Peter Jacquemyn met hun hoekige, heftige expressie zijn manier van spelen mooi illustreren. Anderzijds omdat niets ontziende improvisaties als deze lichter kunnen worden genoten wanneer je de musici aan het werk ziet.

Maar al zijn de beelden dan niet bijgeleverd, ze komen wel bij het luisteren naar de muziek. Parker en Jacquemyn gaan meteen fel van start, vinden elkaar in een robuuste samenspraak, waarbij ze duidelijk dezelfde taal spreken zonder hun eigenheid erin te verliezen. Beide hebben hier een wat schor, droog en zelfs enigszins grof geluid. Het soort onaangepaste schoonheid dat je ook in het hoesontwerp van Jacquemyn terugziet. Achter die bolster komen soms niettemin tedere zielen tevoorschijn. De improvisaties worden weliswaar gekenmerkt door een naar stoer neigende stugheid, maar macho's zijn dit gelukkig niet. De zes stukken zijn geen krachtmeting of uithoudingsproef waarbij de een de ander de loef wil afsteken. Nee, dat de muziek voor de musici fysiek veeleisend is, is een essentieel aspect ervan, maar het gaat om de momenten waarop de beide mannen hun pantsers laten slopen. Van die momenten met overrompelende oprechtheid zijn er meerdere te vinden, mits je je daarvoor openstelt."