N, blackmagazin.com (02/2016)
"Eigentlich ein Trio, Schlagzeug, Bass und Piano, hier, auf "Harbinger Of Imminent Ruin" mit Saxofon und Gitarre zum Quintett erweitert hin zu einem 8-Track Ausbruch voller Explosivität und instrumentaler Attacke, immer auf der Grenze von Koalition und Konfrontation, Zusammenspiel und (gewollten, natürlich,) Bruch. "Harbinger Of Imminent Ruin" gibt den Hörern nur wenig Ruhepunkte: ist der Anfang von "Incense" noch etwas ruhig (im Vergleich zum weiteren sogar tatsächlich) verhalten, so bereitet das unstete, fast schon virtuos arhythmisch erscheinende Schlagzeugspiel zunehmend den Boden für die Vorstellung der weiteren Zutaten; eine Vorstellung, bei der sich Leader Thijs Troch mit dem Piano (+Moog) überraschend zurückhält und erst ganz zuletzt den Hörraum betritt. Um mit dem vollen und runden, im Vergleich zu den anderen Instrumenten im Aufnahmesound irgendwie konkreter, direkter und oragnisch / natürlicher wirkenden Klang dann doch gleich die Führung und das musikalische Zentrum einzunehmen. Erst recht, wenn Thijs Troch mit seinem clusterartigen Spiel das Stück in die Verdichtung (und gleichzeitig seinen Höhepunkt) schiebt. Diese Art der Free-Komposition / Improvisation ist das Leitbild von "Harbinger Of Imminent Ruin"; eine Symbiose von organischer Arhythmik und Mikromelodie-Verdichtungen, dazwischen aber dann überaschenderweise, wie in der #3, "Anté Pénultième", dann doch auch weite Passagen der Reduktion auf einzelne Instrumentpaarungen, auf fast klassische Solopassagen. Die dann aber wiederum soundlich sehr eigenständig umgesetzt werden: siehe das schon von sich aus genial kaputt klingenden Kontrabasssolo, zusätzlich noch von elektronischen Satelliten umgeben… Eruptive Ästhetik auf fünf instrumentalen Ebenen und einem sehr eigenen rhythmischen Konzept. Auf der Grenze zwischen Groove und Zerfall, Zusammenhalt und Konfrontation: Jazz-War, fightin', fightin'… ."

René van Peer, Gonzo (Circus) (16/02/2016)
"Stevig gepeperde jazz is een uitstekend tijdverdrijf. Daar houden zowel het trio Jukwaa als Dikeman/Parker/Drake zich mee bezig. Beide groepen scheppen groot plezier in woeste geïmproviseerde uitspattingen, waarbij ze zichzelf en hun instrumenten opjagen tot aan de grenzen van het mogelijke en draaglijke. Het Gentse trio Jukwaa heeft zich op 'Harbinger Of Imminent Ruin' uitgebreid met saxofonist Otto Kokke en gitarist Jonas Van den Bossche. Pianist Thijs Troch stelt zich wat bescheiden op, geeft de twee gasten alle gelegenheid om zich te buiten te gaan in knarsetandende gitaarsolo's en woest gorgelende saxpartijen. Drummer Bert Minnaert (hier Sigfried Burroughs geheten) daarentegen slaat er niets en niemand ontziend op los. Hij levert genoeg energie om het vijfmanschap de stratosfeer in te schoppen. Nils Vermeulen zaagt en schuurt aan zijn contrabas alsof hij in een werkplaats verwoed een beeld moet zien te kappen voor de duivel zijn ziel opeist. En net als je denkt dat Troch wel erg ver verstopt zit, springt hij tevoorschijn en jast hij over de toetsen van zijn piano met een verbetenheid die doet vermoeden dat hij ergens een zeer zuur appeltje mee te schillen heeft."

Eyal Hareuveni, Salt Peanuts (03/02/2016)
"The Belgian groups Jukwaa and Tandaapushi push the free improvised formats into powerful noisy extremes, each in its own unique way.

The sophomore album of Jukwaa expands its free-improvising piano setting into a quintet, adding to the core trio of pianist Thijs Troch, double bass player Nils Vermeulen and drummer Bert Minnaert aka Sigfried Burroughs Dutch sax player Otto Kokke from the power duo Dead Neanderthals and experimental guitarist Jonas Van den Bossche.

The eight pieces, spanning over dense 37 minutes ride, offer a nervous free associative textures, based on fleeting, thorny outbursts in changing formats, from the full quintet to duos. Kokke charges the interplay of pieces as «Incense» and «Fantôme» with urgent, brutal presence, while Van den Bossche adds otherworldly sonic manipulations to «Antépénultième», his duo with bass player Vermeulen. The two long pieces, «Rose» and «Thiepval Poppies», stress how far this expanded format can reach. «Rose» is massive, distorted drone of that succumbs into a hazy, electric storm while «Thiepval Poppies», is fractured between nervous, fast shifting outbursts of all the quintet musicians before reaching its explosive climax."

Pablo Smet, Jazzmozaiek (07/12/2015) ***
"Voor liefhebbers van improvisatie en modern jazzexperiment is er goed nieuws: Jukwaa heeft een tweede album op de wereld losgelaten. Nog beter nieuws: het oorspronkelijke trio werd uitgebreid tot een kwintet. Dit biedt nog meer mogelijkheden om elkaar uit te dagen, te zoeken naar avontuurlijke paden en deze dan met de ogen dicht en de oren open in te slaan. De acht muzikale stukken die dit album vormen geven een impressie van wat deze groep live waard is: een eclectische impro jazz mix van sferen en geluiden met noisy gitaren, energieke drums, sto(r)mende contrabas, free sax (sic) en Moog synths. Met beeld erbij (lees: muzikanten op een podium) komt deze muziek beter tot zijn recht. Voor wie zijn/haar jazz liever wat gestroomlijnd en gestructureerd heeft is het beluisteren van deze cd dan ook niet meteen de aanrader van het jaar, maar deze mannen aan het werk zien is voor iedereen een belevenis. Jukwaa moet je vooral horen én zien."

Danny De Bock , Jazzepoes, (2015)
"Met 'Harbinger Of Imminent Ruin' tekent Jukwaa voor een tweede cd, of zoals het op de hoes staat voor een "second occurrence of Belgians extravagant impro youngsters". Omdat het van jonge muzikanten komt en zo ferm overkomt, is het een schijfje dat je kan doen afvragen wat maakt dat gezamenlijke improvisatie wél of niet lukt. Leeftijd maakt blijkbaar niet uit. Het zal wel noodzakelijk zijn dat de chemie goed zit, dat mensen op dezelfde golflengte zitten. Technische mogelijkheden zijn vast ook niet onbelangrijk; anders valt er misschien wel eens 5 of 10 minuten echt boeiend samenspel uit te puren, maar toch moeilijk meer dan een half uur. In elk geval, bij Jukwaa klikt het in elkaar. Bij dit kwintet van jong talent kan een improvisatie met noisy klanken een sobere geluidenpuzzel zijn die gestaag opbouwt naar een dreigende climax, zoals in 'Incense'. Elders lijken zij aan de wandel en zich verwonderd uit te drukken in wat neigt naar een ballade, zoals in 'Ach'. Zij kunnen leentje buur spelen bij drum'n'bass, rock, jazz, free jazz, heavy metal,... Steeds hebben de geluidscollages een eigen logica die maakt dat het zaakje op één of andere manier coherent blijft.
Eén en ander zal ook wel gelegen zijn aan de opbouw van de stukken. Meestal is er een structuur die begint met een intro met één of een paar instrumenten, waarna de 5 jonge muzikanten elkaar de ruimte laten en heel alert elkaars ideeën aanvullen. Daarbij laten zij hun creativiteit de vrije loop. Piepen, scheuren, schuren, bonken, slaan en zagen, er komt van alles en nog wat bij en telkens zit het op zijn plaats. Zeer aanwezig en vindingrijk is bassist Nils Vermeulen, die hier heel anders speelt dan bij Laughing Bastards. Andere opvallende naam en speler is hier pianist Thijs Troch, u bekend van Keenroh, in 2014 winnaar Gent Jazz Jong Talent. Voor hem is improvisatie schijnbaar onontbeerlijk.
Jukwaa klinkt op deze cd deels als een uitlaatklep voor donkere gedachten, een speelruimte om duivels uit te drijven of nieuwe fleurs du mal te kweken. Titels als 'Fantôme', 'Rose' en 'Blossoms' helpen in die richting te denken. Daarnaast is het ook een speeltuin, een plek om te experimenteren. Veeleer dan een commerciële voel je hier dan ook een kunstzinnige houding, zeer uitgesproken in 'Antépénultième' dat perfect zou passen bij een eigenzinnige installatie zoals je die kan aantreffen bij Verbeke Foundation of een tentoonstellingsruimte van dat slag. Iemand zin misschien om een keer een festivaldag te organiseren in zo'n omgeving? ."

Michiel Guertzen (2015)
"Midden oktober 2015 liep ik een cd-zaak binnen in Antwerpen en had de eigenaar van deze zaak de voornoemde cd van Jukwaa opstaan. Bij navraag aan de verkoper kwam ik er achter welke band deze muziek voortbracht. Terwijl ik door andere cd's in de bakken bladerde werd ik meer en meer verstoord door de twee nummers die ik in dat korte tijdsbestek, ik had elders een afspraak, hoorde. De klanken waren echter niet meer uit mijn hoofd te krijgen en ik heb de cd een aantal weken later besteld bij de pianist van dit gezelschap. De verstoring waar ik het over heb, is meer een soort prettige verwarring waarbij je weet dat het tot een behoefte aan nieuwe 'geluidspanorama's' zou kunnen leiden. Eindelijk weer 's grensoverschrijdende stukken en samenklanken met positieve verbeeldingskracht. Soms zeer krachtig en even later weer kwetsbaar. In veel gevallen gaat, blijkbaar of schijnbaar, chaotische muziek klinken alsof het doel van de muzikanten therapeutisch is en de voedingsbodem bestaat uit verstikkende verbittering en frustratie, afgedekt met ongebluste kalk. Dit is hier niet het geval. Op Harbinger of Imminent Ruin is alleen maar positieve communicatie te horen tussen de instrumenten van deze alert luisterende muzikanten. Multi-interpretabele abstracte soundscapes of prettig verwarrende, op hol geslagen, zoektochten. In één van de nummers wordt op een geweldige manier elke vorm van groove de nek omgedraaid. Elk moment dat er samenspel dreigt te ontstaan gaat één van de muzikanten snel weer linksaf, waar even later weer hetzelfde plaatsvindt. Je moet wel erg goed kunnen luisteren naar elkaar om in een gesprek met opzet niet met elkaar over hetzelfde te gaan praten. Namen als: Captain Beefheart (Trout Mask Replica), Frank Zappa (We're only in it for the money), Ornette Coleman, Stockhausen, Varèse, Stravinsky en Thelonius Monk schieten door mijn hoofd, terwijl ik naar deze cd luister, maar Jukwaa heeft een eigen taal weten te genereren. Volledig authentiek en geloofwaardig. Mijns inziens de belangrijkste voorwaarden om je te profileren binnen de muziek, los van vaardigheden op de instrumenten of virtuositeit of welk genre dan ook. Dat de leden van Jukwaa vaardig zijn op hun instrument is al snel duidelijk maar dit blijkt gelukkig van ondergeschikt belang. Onderlinge communicatie lijkt overduidelijk het motto te zijn met wellicht het doel dit over te brengen aan het publiek, getuige deze cd die ook nog 's goed en prettig ruimtelijk is opgenomen. Het hoesje doet denken aan de Punk-scene uit de jaren 80 en past volledig bij de inhoud. Is het Jazz? Is het Avant Garde? Is het Punk? Is het Grunge? Zoals ik al schreef is de muziek van Jukwaa multi-interpretabel wat een zeer prettige organische verwarring oplevert, mits je open staat voor dit soort experimentele en progressieve klanken. Verwarring gaat vaak vooraf aan nieuwe inzichten, waarvoor dank."

Guy Peters, Enola.be (25/11/2015)
"We namen in onze bespreking van Jukwaa's eerste al labels als "merkwaardig" en "eigenzinnig" in de mond, en dat maakt het moeilijk om nu opnieuw op de proppen te komen met gepaste adjectieven. Was die eerste plaat immers een halfverborgen middelvinger naar de traditie, dan krijgt die laatste deze keer een regelrechte schop in het kruis. Zelden omarmde een jonge Belgsiche band zo gretig (en lawaaierig) de extremere mogelijkheden van de vrije improvisatie.

Dat toetsenist Thijs Troch, bassist Nils Vermeulen en drummer Bert Minnaert (die zich ook nog altijd Sigfried Burroughs laat noemen) deze keer twee gasten aan boord gehesen hebben, zit daar ongetwijfeld voor iets tussen, want ook gitarist Jonas Van den Bossche en rietblazer Otto Kokke doen hun duit in het zakje. Harbinger Of Imminent Ruin zet z'n tocht verder waar die eerste plaat ophield, en dat met een nerveus, noisy en vaak manisch totaalgeluid. Dat past op zijn beurt dan ook weer in het evolutieproces dat de muzikantendoormaakten bij andere projecten, waarbij steeds sterker buiten de lijnen gekleurd werd. Thijs en Jan Daelman maakten van Keenroh een grootschalig project, Vermeulen blijft actief in de meest uiteenlopende projecten, samen richtten ze onlangs de Residuum Free Unit op met Dirk Serries, en Minnaert kon zich ook nog eens volledig laten gaan met o.m. Onmens.

Gitarist Van den Bossche schippert heen en weer tussen Gent en Tallin, tussen muziek en theater, en injecteert de muziek met een forse dosis overstuurd lawaai. Maar niet altijd, want er wordt hier ook gespeeld met verschillende bezettingen, waardoor het album, of toch zeker de eerste helft, voortdurend transformeert. En met Kokke, helft van het Nijmeegse Dead Neanderthals, aan boord, weet je dat de val van het gemak en de toegeving halsstarrig vermeden zal worden. En het is eigenlijk ook best mooi dat de man hier niet z'n duister ronkende bariton of scheurende tenorsax gebruikt, maar een sopraansax, die hier voortdurend in een jankend, zeurend en gierend register blijft hangen (dat sluit dan weer aan bij dat recentste wapenfeit van Dead Neanderthals).

Het begint allemaal nog redelijk gematigd en ingetogen met opener "Incense", waarin vooral gespeeld wordt met ruimte en dosering. Er wordt in de pianobuik gedoken, de sopraansax beperkt zich tot korte figuren, Minnaert werkt met mallets en de gitaar klinkt aanvankelijk scratchy zonder de boel in de fik te steken. Het is improvisatie als een kleurboek van merkwaardige ideeën. Niet te volgestouwd, open, schijnbaar intuïtief en willekeurig, maar gaandeweg ook met een sterkere focus die de toenemende intensiteit naar het terrein van een dreunende monotonie stuurt, waarin de piano hels gedonder voorbrengt en de vijf zorgen voor een schurende en ratelende kletterstroom van klanken.

De drie volgende stukken spelen met aangepaste bezettingen. "Fantôme", van een kwartet zonder Van den Bossche, volgt (nu ja, krijgt) een krom struikelritme, waarin het geneuzel van Kokke na verloop van tijd doorkruist wordt door het beweeglijke, haast frivole spel van Troch, terwijl "Antépénultième" klinkt als een bloederige vrijpartij voor grof vervormde bas en (vermoedelijk) Trochs Moog, die een vies borrelende ondergrondbrij voortbrengt. Op "Ach" krijg je dan weer Jukwaa in triogedaante te horen, maar potiger dan op de vorige plaat het geval was. Opnieuw hoor je die wrijving tussen drums en piano, met Vermeulen die het zootje bij elkaar houdt.

Met de resterende vier tracks, de tweede albumhelft, wordt een andere koers gevaren. Hier worden de maskers definitief afgeworpen en gekozen voor het tumult. De snelle tik-tik-tik van de 75 seconden durende titeltrack is niet de start van een explosief stukje punkjazz à la Naked City, maar een neurotische gierende, jankende en ratelende tweespalt van energie en weerbarstigheid. De stukken daarna duwen niet voortdurend op het gaspedaal, maar er spat niettemin een immense, tegendraadse agressie van de stukken. In "Rose" gaat het versplinterde gitaargeluid een bokkig duel aan met piepende sax, zeurende/pruttelende Moog en opnieuw een struikelende ritmesectie, met een meer start/stopachtige dynamiek in de tweede helft.

Het compacte "Blossom" is noisy impro waarmee definitief in publieksvijandig terrein gedoken wordt, terwijl afsluiter "Thiepval Poppies" klinkt zoals een song over klaprozen in een kapotgebombardeerd Frans dorp moet klinken: Vermeulen geeft een lange, excentrieke aanzet met strijkstok, maar zodra Minnaert en Van den Bossche zich ermee gaan moeien, wordt het een stuiterend en jachtig kerffestijn, dat van ver iets heeft van het lawaaierige van The Ex of een handvol no wave-bands, maar met de komst van een klaterend uithalende Troch in de finale vooral de tumultueuze energie van, pakweg, het Yosuke Yamashita Trio oproept. Minder jazz, maar al even knetterend, tot het op barsten staat.

Harbinger Of Imminent Ruin laat vooral horen dat Jukwaa de deuren wijd open gegooid heeft. Samen met een paar gasten werd stevig huisgehouden in een territorium dat een pak uitdagender en breder is dan op het vorige album. Niks voor een groot publiek, maar misschien wel iets met gevolgen voor de avontuurlijke kant van de Belgische improvisatie. Het werd dan ook tijd dat we een antwoord kunnen bieden op The New Wave Of Dutch Heavy Jazz, etc. Spannend.

Beluisteren/bestellen kan o.m. via Bandcamp. De cd is gehuld is gezeefdrukt artwork van François Van Damme."